Nederlandse vertaling:

Uit de coachpraktijk:

Nee is óók een antwoord

Sommige mensen zijn ontzettend goed in meedenken. Geef ze een probleem en ze zien drie oplossingen. Loopt de planning vast? Dan schuiven ze wat afspraken. Valt er iemand uit? Ze springen bij. Er moet iets gebeuren wat niet uitkomt? Er blijkt toch nog ergens een gaatje te zitten.

Een fijne eigenschap. Zeker op de werkvloer. Maar als iemand uitlegt waarom iets écht niet anders kan, ben je voor je het weet zelf de oplossing. De ander zegt: ‘Ik kan alleen op deze tijden.’ En jij kijkt alweer of je ergens ruimte kunt maken. Waarom zijn de mogelijkheden van de ander eigenlijk een vaststaand gegeven, terwijl die van jou nog volop onderhandelbaar zijn?

Natuurlijk is er vaak wel iets mogelijk. Je kunt een afspraak verzetten, iets in je vrije tijd doen of ergens nog een uurtje tussen proppen. Maar dat je iets kán, betekent niet automatisch dat je het ook wilt. Daar begint het herkennen van je eigen grens. Niet bij het uitspreken ervan, maar een stap eerder. Bij het opmerken van de neiging om meteen te schuiven, mee te denken of een oplossing te zoeken.

Want wat wil je zelf? Past dit bij jou? En wat voel je wanneer je even niet bezig bent met wat de ander nodig heeft? Dat vraagt niet om minder begrip voor de ander, maar om wat meer aandacht voor jezelf.

En dan heb je je grens aangegeven. Je hebt uitgelegd wat voor jou mogelijk is, maar de ander blijft aandringen. Die heeft immers ook een probleem, kan zich naar eigen zeggen écht niet aanpassen en rekent op jouw medewerking. Je kunt opnieuw uitleggen waarom iets voor jou niet lukt, betere argumenten zoeken of alsnog proberen een oplossing te vinden. Maar je kunt de ander ook begrijpen zonder je eigen grens opnieuw ter discussie te stellen.

Soms komen twee grenzen tegenover elkaar te staan. De ander geeft aan niet te kunnen schuiven en jij hebt aangegeven dat het voor jou niet past. Dan begint het gesprek over wat er wél mogelijk is, zonder dat vooraf vaststaat wie er moet toegeven.

Maar wat als er geen oplossing komt? Dan blijft het werk liggen. De planning loopt vast, een afspraak wordt niet gemaakt of een probleem wordt niet opgelost. En wie krijgt daar als eerste last van? Vaak degene met het grootste verantwoordelijkheidsgevoel. Die ziet de gevolgen al aankomen, voelt de onrust toenemen en denkt na een tijdje: laat ik het dan toch maar doen, anders gebeurt er helemaal niets. Zo belandt de verantwoordelijkheid alsnog bij degene die juist had aangegeven dat het te veel werd.

Dat patroon doorbreken is lastig. Want je kunt wel nee zeggen, maar vervolgens moet je ook verdragen dat er iets blijft liggen, dat iemand ontevreden is of dat iets een keer niet zo soepel verloopt als je gewend bent. Juist wanneer je betrokken bent bij je werk, kan dat behoorlijk ongemakkelijk voelen. Maar zolang jij het uiteindelijk toch weer oplost, blijft de noodzaak voor anderen om iets te veranderen gemakkelijk op de achtergrond.

Dat betekent niet dat je je nergens meer verantwoordelijk voor hoeft te voelen. Wel dat je onderscheid mag maken tussen je verantwoordelijk vóélen en ergens verantwoordelijk vóór zijn.

Een grens aangeven is één ding. Erop vertrouwen dat je niet alles zelf hoeft op te lossen, is een tweede. Want nee is óók een antwoord.

En als nee geen antwoord mag zijn, was het dan eigenlijk wel een vraag?